Een fatale primeur

Een fatale primeurMarjolijn Uitzinger, Een fatale primeur
ISBN 978 90 445 2368 3, € 18,95
ISBN 978 90 445 2369 0 (E-boek), € 14,99
juni 2012

____________________________________

[fragment]

Hij voelt zich kalm en zeker van zijn zaak. Dit heeft hij vaker gedaan, hij twijfelt er niet aan of hij kan ook deze opdracht feilloos uitvoeren. Het hoort erbij en hij is trots op zijn werk.

Als Einsatzgruppenmitarbeiter van het Ministerium für Staatssicherheit is het zijn taak in het Operationsgebiet, oftewel het ‘niet-socialistische buitenland’ en met name West-Duitsland, ‘succesvolle acties uit te voeren tegen de vijand en diens achterland.’

Op de Stasi-Fachschule in Potsdam-Golm was hij geen uitblinker, theorie is niet zijn sterkste kant. Maar hij voelde zich thuis tussen de anderen, de praktische training bij de Stasi-eenheden was hem op het lijf geschreven. Hij is in topvorm, bang is hij nooit. Onzekerheden kent hij niet, het is vanzelfsprekend dat vijanden van het socialisme worden opgeruimd, punt uit.

Dat geldt zeker voor ‘misdadige mensenhandelaren.’ Dus ook voor haar.

De voorschriften kan hij dromen. De acties moeten ‘verrassend’ zijn, ‘geheim,’ en ‘maximaal resultaat opleveren bij minimale inzet van krachten en middelen.’ Bovendien moeten ze ‘zo worden uitgevoerd dat ze voor de vijand niet te herleiden zijn.’

Deze keer is zijn opdracht: liquideren. Daar heeft hij geen hekel aan. Liever ter plekke vermoorden dan ontvoeren en terugbrengen naar de DDR, met alle rompslomp die daarbij hoort.

Bedaard steekt hij een sigaret op en stuurt zijn auto langzaam over de verlaten weg, voorbij de Holstentor, de middeleeuwse stadspoort met de twee torens. Ondanks de duisternis is ze gemakkelijk te volgen, in haar lichte regenjas. Ze loopt aan de rechterkant van de weg in de richting van de Puppenbrücke, de brug met de beelden. In de wijk daarachter woont ze, elke woensdagavond komt ze tegen kwart voor elf terug van haar zangles op de Musikhochschule in de oude stad.

Hij heeft geluk. Als ze op het brede trottoir is, bij het begin van de brug, zijn er geen andere auto’s te zien.  Meteen drukt hij zijn sigaret uit in de asbak, maakt de prop met chloroform klaar en verhoogt zijn snelheid, tot hij naast haar rijdt. Dan houdt hij stil en draait het raampje aan de rechterkant gedeeltelijk open.

Entschuldigung?’

Ze stopt, komt iets dichterbij en kijkt onzeker de auto in, ze kan zijn gezicht niet goed zien. Hij draagt een wollen muts en heeft zijn kraag opgezet.

Afwachtend blijft ze staan. ‘Ja?’

Haar adem maakt een wolkje in de koude avondlucht.

Hij heeft een kaart van de stad in zijn hand en praat met gedempte stem. ‘Ik ben op weg naar het ziekenhuis, maar ik heb geloof ik ergens een afslag gemist, kunt u me helpen?’

Een ogenblik aarzelt ze. Haar blik glijdt over de auto, een donkerblauwe Volkswagen Jetta.

Ziet hij achter zich de lichten van een andere auto? Wil ze doorlopen?

Verdomme trut, schiet op. Hij klinkt bezorgd. ‘Ach, bitte… ik heb een beetje haast… Misschien kunt u even op de kaart aanwijzen waar we hier precies zijn?’

Nu draait hij het raampje helemaal open, knipt het dashboardlichtje aan en houdt de kaart daaronder. Ze hapt, en besluit even mee te kijken.

Mooier kan het niet, ze leunt naar binnen en strekt haar hand uit, haar gezicht komt vlak bij het open raam. Bliksemsnel grijpt hij haar bij de arm, trekt haar naar zich toe, legt zijn hand om haar nek en drukt met de andere hand de prop tegen neus en mond. Ze spert haar ogen wijdopen van verbazing. Even spant het lichaam zich, ze maakt een gesmoord geluid, verzet zich, dan verslapt ze en zakt naast de auto in elkaar.

Hij opent het portier en trekt haar naar binnen.

Uit het handschoenenkastje haalt hij de injectiespuit tevoorschijn. Een enkele prik in haar nek, onder de kastanjebruine haren, is genoeg. De ademhaling wordt zwakker, de kleur trekt weg uit haar gezicht.

Razendsnel doorzoekt hij haar handtas. Geen papieren. Wel wat geld in haar portemonnee: 65 Deutsche Mark. Die steekt hij in zijn binnenzak.

Nu komt het meest riskante deel van de actie. Hij parkeert de auto op de brede stoep, bij de vrouwenfiguur die de Vrede uitbeeldt, waar de stenen trap begint die naar de rivier leidt. Hij wacht tot er geen verkeer aankomt. Dan stapt hij uit, loopt om de auto heen en opent het portier.

Op het laatste moment komt een bestelbusje hem achterop. Hij gromt een krachtterm. Als de weg weer vrij is, tilt hij haar uit de auto en slaat zijn arm om haar middel alsof ze een verliefd paar zijn. Zo sleept hij haar tot de trap. Daar is hij uit het zicht en kan hij haar in zijn armen nemen.

Zwaar is ze niet, hij vliegt de twee trappen af. Als hij beneden is draagt hij haar tot onder de brug, waar een ijzeren reling de afscheiding vormt met het snel stromende water daarbeneden.

Hij kijkt om zich heen. Geen slenterende stelletjes, geen wandelaars met een hond.

Moeiteloos legt hij haar op de reling en kiepert het tengere lichaam in de rivier.

De plons is nauwelijks hoorbaar.

Terug naar boven