Er ligt een man op straat

(27.01.2014)

Onder het spoorwegviaduct naast mijn huis, waar de S-Bahn, de regionale treinen en de ICE´s langskomen en de passerende Berlin-Warschau-Express een romantisch Midden-Europa-gevoel geeft, ligt een man. In een slaapzak, plastic tassen om zich heen, een wollen muts over zijn ogen, in een stinkende pisplas. Niemand kijkt ervan op. Je ziet in Berlijn zoveel mensen liggen of zitten, met naast zich een vale hond op een dekentje en voor zich een kartonnen bekertje. Of ze lopen bedelend rond, in de metro en tussen het winkelende publiek, al dan niet met de straatkrant. Het hoort erbij. Ik heb altijd kleingeld bij me en ik ken inmiddels tientallen bedelaars bij mij in de buurt van gezicht, jong, oud, vrouw, man, verslaafd of in de war of allebei. Net zoals veel anderen geef ik ze wat geld, een broodje, ´s zomers een flesje water – behalve als ze agressief zijn, dan krijgen ze niks want daar hou ik niet van.

De keurig geklede voorbijgangers lopen met een bochtje om de man in de slaapzak heen. Vanwege de misselijkmakende stank, maar ook vanwege het ongemakkelijke gevoel. Ze kijken weg, en zelf ben ik geen haar beter. Ik doe niets. Ja, elke ochtend kijk ik uit het raam om te zien of hij er nog ligt. Iemand moet zorgen dat de man wordt geholpen. Ik liever niet, want ik heb eens eerder 112 gebeld en kreeg te maken met bureaucratisch Duits gezeur in plaats van snelle hulpverlening. Laat iemand anders het maar doen, bijvoorbeeld het hotel bij mij tegenover, of de chagrijnen van het Ordnungsamt als ze klaar zijn met bonnetjes uit te delen aan auto’s waarvoor geen parkeergeld is betaald. En de bussen met hulpverleners, de koudebus en de doktersbus, die ´s nachts rondrijden, moeten hem toch ook opmerken. Maar misschien wil hij niet weg, en tegen zijn zin mag je niemand meenemen. Als het gaat vriezen en hij ligt er nog steeds, dan ga ik bellen, zeg ik tegen mezelf. Dat is inmiddels anderhalve week geleden. Toen de vorst inviel is hij opgepikt. Zijn schuimrubber matrasje, netjes opgerold, de slaapzak en de plastic tassen staan er nog, maar op een ochtend was de man weg, gelukkig.

Het is koud in de stad. Vandaag sneeuwt het en is het slechts drie graden onder nul, maar de laatste dagen was het min dertien. Bij Bahnhof Zoo is een particuliere hulppost ingericht waar mensen gebruikte kleding en schoenen brengen voor de daklozen die daar in de rij staan. Die krijgen daar niet alleen kleren, maar ook een warme maaltijd. Slapen kunnen ze er niet. Daar zijn andere plekken voor, in totaal zijn het er 16 in de Berlijnse binnenstad, waar zo’n 450 mensen kunnen slapen. Dat is veel te weinig. Met bussen worden daklozen naar andere noodopvanghuizen in buitenwijken gebracht.

Er zijn ook andere oplossingen. Alle U-Bahnstations gaan dicht tussen pakweg 1 en 4 uur ´s nachts, als de metro niet rijdt, maar elk jaar blijft vanaf eind november een drietal metrostations open om daklozen aan een droog en warm onderkomen te helpen: Schillingstrasse, Hansaplatz en Sudstern, redelijk verspreid over de stad. Daar wordt druk gebruik van gemaakt. Vooral door vrouwen, want voor hen is de situatie extra bedreigend. In een gemengde opvang zitten ze tussen verslaafde, agressieve en psychisch gestoorde mannen, dus blijven ze vaak liever op straat.

Vanuit heel Duitsland komen daklozen naar Berlijn, omdat de sociale voorzieningen er het beste zijn, zeggen ze. Daklozen kunnen een bescheiden uitkering krijgen. Soms hebben ze een goede opleiding gehad, werk, een huis, een gezin. Om de een of andere reden zijn ze uit de baan gevlogen, meestal in de volgorde echtscheiding, verslaving, werkloos, huis kwijt. Een jongen die ik sprak, woonde bij zijn verslaafde moeder, tot die overleed, en daarna kon hij kiezen tussen een tehuis of de straat. Ze zitten in hetzelfde schuitje, maar allemaal om een andere reden. Sommige mensen kunnen domweg niet in een huis wonen, omdat ze daar gek van worden. Zoveel om te regelen, zoveel om schoon te houden – dat kan ik niet aan, zeggen ze zelf. Het is een onoplosbaar probleem. Ik vond het schokkend toen ik in Berlijn kwam wonen, ik ben er na tien jaar nog steeds niet aan gewend. En dat is maar goed ook.

Terug naar boven